Ik heb een ontzettend groot respect voor mensen die iets hebben met dieren. Mensen die warme kirrende geluidjes maken als ze een vogeltje vinden om voor te zorgen of zich lijken te verstaan met élke hond of kat die ze tegenkomen.
Op zich heb ik zelf helemaal niets tegen dieren, zolang ze maar uit mijn buurt blijven. Op National Geographic, daar ben ik dól op dieren!
Toen we 9 jaar geleden op het platteland gingen wonen, had ik niet echt nagedacht over de uitgebreide fauna waarmee we op zeer regelmatige basis in aanraking zouden komen.
Nu ben ik helemaal niet dol op dode dingen en da’s een zwaar understatement. Dus de combinatie dood en dieren, werkt voor mij niet zo goed.
Het eerste babyvogeltje dat te pletter was gestort aan onze voordeur, heb ik op zo’n vakkundige wijze naar het naburige veld verplaatst dat als Dovo me had bezig gezien, ik vast en zeker een job als bommenexpert had bemachtigd. Lees: uitgebreide beschermende kledij om toch maar niets van dat slijmerige lijfje op mij te krijgen, grote laarzen, de langste en grootste schop die ik kon vinden en mezelf veel moed inpraten. Er rolt nog steeds een huivering over mijn ruggengraat als ik eraan terugdenk.
Kan je nagaan hoe extatisch blij ik was toen mijn zoontje riep: ‘mama, er ligt een super schattig muisje op de oprit! Je moet eens gaan kijken, die is echt keischattig, mag ik er eens aankomen?’.
Een kleine kortsluiting ging door mijn brein…
Mijn zoontje deelt mijn fauna-fobie gelukkig niet, maar ik heb hem toch eventjes moeten intomen.
Toegegeven, het wás een ontzettend schattig diertje hoe het daar lag alsof het lag te slapen. Het is ook het dichtste dat ik ooit bij een muis ben geweest als ik eerlijk ben. Als ze leven en in mijn buurt komen, verander ik in een hysterisch, mentaal gestoord wezen dat niet meer instaat voor haar eigen gedrag.
Maar er lag dus een dode muis naast onze garage en daar moest iets mee gaan gebeuren. Naïef als ik was, dacht ik dat een kat ze wel zou komen ophalen. Maar blijkbaar verkiezen katten wat actie en vangen ze dus liever lévende dieren, want de dagen gingen voorbij en het arme beestje lag er nog stééds.
Terwijl ik uitgebreid mijn opties aan het overwegen was, vroor het, regende het, stormde het en dat lijfje bleef onaangeroerd en intact waar het was.
Tot ik op mijn eerste werkdag na de vakantie naar het werk wou vertrekken en tot mijn grote opluchting vaststelde dat mijn probleem vanzelf verdwenen was.
Maar toen kwam de bedenking: ‘waar is het dan?’… Hopelijk bots ik bij de lente-schoonmaak van de voortuin niet op een klein skeletje want een paleontoloog zijn behoort zéker niet tot mijn levensambities…